Enquête (1)

Ik zie mezelf nog braaf met mondkapje rondlopen in mijn IJsselsteinse buurtsuper. Ik ben ook keurig een prik wezen halen in de sporthal bij IJsseloever. Als ik toen wist wat ik nu weet. Er is inmiddels een parlementaire enquête gestart over het coronabeleid. Ik verwacht er niet veel van; de hoofdrolspelers hebben zich uitgebreid laten adviseren door mediacoaches en juristen.

Marion Koopmans houdt stoïcijns vol dat de pandemie is veroorzaakt door vleermuizen op een vismarkt in Wuhan, en dat het laboratorium voor biologische oorlogvoering in datzelfde Wuhan er niets mee te maken heeft. Misschien gelooft ze ook nog dat Oswald Kennedy doodschoot.

Ex-premier Rutte zal ongetwijfeld aan veel zaken geen actieve herinnering meer hebben overgehouden, en er zullen ongetwijfeld deskundigen opdraven die nog steeds denken dat geïnfecteerde bejaarden volkomen geïsoleerd uit de frisse buitenlucht moeten worden gehouden in een gesloten luchtcircuit. Ik denk daarom met weemoed terug aan de roemruchte RSV enquête in de jaren 80, waarbij de overheidssteun aan het bankroete Rijn-Schelde-Verolme scheepsbouwconcern werd onderzocht. Kort samengevat: het ging na 1970 slecht met de scheepsbouw. De overheid greep in met gedwongen fuseren en financiële steun om werkgelegenheid te behouden. Het bleek een bodemloze put en een financiële ramp van ongekende omvang. Er was toen nauwelijks ervaring met parlementaire enquêtes, dus de betrokkenen waren vrij argeloos en hadden zich nauwelijks ingedekt.

Resultaat: drama in zijn zuiverste vorm; emotioneel, authentiek. Een real-life-soap avant la lettre, die het door entertainment-tycoon John de Mol later met “Big Brother” geïntroduceerde en inmiddels tot op het bot afgekloven format nog altijd ruimschoots overschaduwt.