Verkiezingsleuzen (vervolg)

Door de IJsselsteinse asielcrisis moest het vervolg op mijn column over verkiezingsleuzen even wachten. Op 15 april besprak ik het D66-motto “Het kan wél”. Een slagzin die de Democraten kennelijk zo goed bevalt dat hij niet alleen landelijk, maar ook lokaal in de verkiezingsstrijd werd geworpen; dit in tegenstelling tot andere partijen, die meestal per gemeente met een specifieke verkiezingsleus campagne voerden.

En ik geef toe: “het kan wél” klinkt een beetje drammerig, maar ook optimistisch, zoals “Yes we can” van Barak Obama en “wir schaffen das” van Angela Merkel. Maar sinds kort weten we dat “het kan wél” óók slaat op het vorderen van voetbalvelden voor asielopvang.

De ChristenUnie wil “Opstaan voor IJsselstein”. Dat klinkt nogal opstandig, maar vroeger zag je in de bus soms bordjes met de tekst “Opstaan voor iemand misstaat niemand”. Een beleefdheid die in de huidige samenleving zeldzaam geworden is.

Niettemin vraag ik me af wat wordt bedoeld met “opstaan voor IJsselstein”. Ik sta – soms met tegenzin – iedere ochtend op, maar ik heb zelden het gevoel heb dat ik dat voor IJsselstein doe. Columns schrijven wél.

Het CDA heeft het moralistische “voor een fatsoenlijk IJsselstein” gelukkig niet van Bontenbal overgenomen, en wil de stad vooral sterk maken. GroenLinks-PvdA propageert “Kiezen met je hart”; ik zou het zelf toch óók met verstand doen. De LDIJ roept “Kies voor IJsselstein” en de VVD is “Thuis in IJsselstein”.

Ik heb in 1989 voor IJsselstein gekozen, en sindsdien ben ik thuis in IJsselstein, met hart voor IJsselstein, al zullen sommigen mijn columns hard voor IJsselstein vinden.