Leven in de brouwerij bij Lopulalan’s

  •   keer gelezen

LEERDAM  • Het Molukse gezin Lopulalan telde bij hun aankomst maar liefst twaalf kinderen. Het was altijd een gezellige boel in hun nieuwbouwhuisje op de Broekgraaf.


Een gezin met twaalf kinderen was helemaal geen uitzondering in die jaren. De huizen waren niet heel erg groot. Maar daar werd niet moeilijk over gedaan. “Gewoon met z’n drieën op een kamer. Bij het eten zat de ene helft van het gezin in de kamer en de andere helft gewoon in de keuken.”

Vader Junus Lopulalan, KNIL-militair, kwam in 1951 met zijn vrouw Wilhelmientje Lopulalan-Sihasale naar Nederland. Er waren toen al vijf kinderen. Het gezin werd geplaatst in het klooster Glanerbrug bij Enschede. Daarna verkasten de Lopulalan’s naar Conrad, Binderibben en ten slotte naar Kruiningen op Zuid-Beveland. In 1961 kwam het gezin naar de Broekgraaf in Leerdam. De oudste -Phil of Philippus- was op dat moment al 21. De jongste amper een jaar.

“In Kruiningen hadden ze een gelukkige jeugd”, zegt Bennie, nu 63. “Wat ik me nog herinner zijn de gaarkeukens, bakker Rinus op de fiets, de eenvoudige spelletjes die we daar deden.” “En natuurlijk de levertraan en de hele rij met schoenen die altijd buiten stonden”, vult Jeannie aan.

De Molukse wijk in Leerdam was gesitueerd aan de westelijke rand van de stad. Het was begin jaren zestig nog echt een enclave. Wat opviel was de fysieke scheiding tussen de Molukse wijk en de rest van Leerdam. De wijk lag tussen de weilanden. Pas verderop begon Leerdam. In de loop van de tijd zijn ze aan mekaar gegroeid.

Amboneesjes kijken

Leerdammers stonden nog wat vreemd te kijken tegen de komst van de Ambonezen. Maar ze waren zeker niet vijandig. Henk: “Zondag na de kerk maakten velen een wandelingetje door de wijk. Dan keken ze nieuwsgierig naar binnen. Hoe zag het eruit? Ze verwachten natuurlijk niet veel meer dan een tafel en een paar stoeltjes.”

Leerdam was toen nog echt een dorp. De oorspronkelijke bevolking was helemaal nog niet gewend aan  mensen met een andere huidskleur. Annet maakte het mee dat een Leerdammer nieuwsgierig over haar armen wreef. “Dat gaat echt niet meer weg”, zei ze heel gevat. “Zo ben ik geboren.”

Hecht gezin

Vader, moeder en de twaalf kinderen vormden een zeer hecht gezin. En met zoveel kroost was er volop leven in de brouwerij. De deur stond altijd voor iedereen open, het was een beetje de zoete inval. Jeanie: “Eén van de leukste herinneringen is dat we thuis altijd bingo speelden. M’n moeder maakte zelf de boekjes. Als ze de nummertjes oplas, deed ze dat zingend. Er kwamen altijd heel veel Molukkers uit de wijk. We zaten in de kamer, maar ook op de trap.”

Henk Lopulalan vond makkelijk z’n weg in de Leerdamse gemeenschap. Net als veel van z’n Molukse vriendjes was hij een begenadigde voetballer. “Ik stond rechtsbuiten, een echte Tahamata was ik. Ik ging bij Leerdam Sport spelen, waar ze wel blij waren met al die Molukkertjes. Ons team speelde een keer in Tiel. Ik moest bij de scheidsrechter komen. Die geloofde niet dat ik bij Leerdam Sport voetbalde, omdat ik te goed was.”

Band

In de jaren zestig en zeventig vormde vijf leden van de familie Lopulalan een Moluks bandje: De Lops (zie foto). Phil was de leider van de band en speelde bas, Debbie verzorgde de vocals, Teddy de rhythm en de vocals, Hank de solopartijen en Benny was de drummer. Later werd de band nog aangevuld met de zusjes Annet en Jeannie en een nicht: Angelique Lopulalan. De band heeft ongeveer zeven jaar bestaan.

“We speelden soul, rock&roll en dansliedjes”, zegt Henk. “We waren graag geziene gasten op feesten en partijen. We zaten in heel Nederland, maar ook vaak in het Duitse Bremen, Vader was de manager.”  Debbie: “Wij oefenden in de huiskamer. Er stond vaak een heel groepje mensen te luisteren op straat.” De Lops deden hun optredens meestal op zaterdagavond. Soms kwamen ze pas midden in de nacht thuis. “Toch moesten we zondag weer gewoon naar de kerk”, zegt Debbie. ‘M’n moeder zei dan: jullie besteden zoveel tijd aan jullie band, kun je dan niet één uurtje per week aan God wijden?” Ze deden het zonder morren.

De tweede generatie Molukkers had het goed. In de jaren zestig kwam iedereen nog makkelijk aan werk. Maar liefst vijf broers Lopulalan waren actief als lasser. “Wij waren in ons vak de besten van allemaal”, zegt Phil, die jarenlang werkte op een olieplatform.

Grimmiger

In de jaren zeventig werd de sfeer in de Molukse woonwijken in Nederland grimmiger. Jongeren van de tweede generatie waren minder gezagsgetrouw en velen omarmden openlijk het ideaal van de Republiek der Zuid-Molukken (RMS). In huize Lopulalan speelde de discussie amper een rol. Maar ze kregen er wel mee te maken. “Na de treinkaping bij de Punt in mei 1977 werden wij Molukkers opeens met argusogen bekeken”, zegt Aart. “Ik zat in die tijd een keer in de trein en vond een portemonnee met honderd gulden erin. Ik ben naar de conducteur gestapt om het te melden. Iedereen in de trein raakte gelijk in paniek.”

André Bijl en Dick Aanen

Molukkers in woonwijken:

• Molukkers woonden van 1951 tot 1961 in woonoorden, veelal voormalige concentratiekampen of legerbarakken;

• In 1961 verhuizen zo’n 18.000 Molukkers naar Nederlandse woonwijken

• In totaal zijn er zestig Molukse woonwijken in Nederland.

Ontvang 'm elke week gratis > Meer berichten